Sam E. Alex O. Bosco O. Geoffrey O. Wilfred O.
Nederlands English Français
Kindsoldaten achtergrond
 
Kinderen getuigen
The Childsoldier
Kinderen van de startpagina
Nog kinderen
Brieven
Aboke meisjes
Patrick
 
Wat we doen
 
Steun een ex-kindsoldaatje!
 
Contact

    


 

Aboke meisjes

Palma | 11 Abokemeisjes terug! | Sylvia

Palma Achieng, een van de Abokemeisjes, kwam vrij op 30 januari 2004, samen met haar zoontje van drie. Tot op vandaag kan ze moeilijk spreken over de wreedheden waarvan ze getuige was of waaraan ze moest deelnemen. Dit is het verhaal dat ze op dit moment kwijt wil.

Het was middernacht, 9 oktober 1996. Ik was 14 jaar en studeerde aan Sint Mary’s in Aboke toen de rebellen van het Verzetsleger van de Heer de school aanvielen. Ze sloegen het venster in, drongen onze slaapzaal binnen en bonden onze armen vast. Een van de rebellen probeerde een meisje te verkrachten. Maar ze schopte hem en wist te ontkomen. In een lange rij werden we door de schoolpoort geleid. Onderweg zagen we hoe de rebellen de kliniek plunderden en de auto in brand staken.

We trokken het struikgewas in. Enkele meisjes slaagden erin de koorden met scheermesjes door te snijden en te ontsnappen. Nadat we de hele nacht hadden gelopen, verscheen Zuster Rachele. We staken de spoorweg over. Onmiddellijk daarna werden we onder vuur genomen door een helicopter van het regeringsleger. We renden aan een stuk door tot we een plaats bereikten waar de rebellen dertig meisjes uitkozen die bij hen moesten achterblijven. Zuster Rachele gaf de commandant geld en smeekte hem alle meisjes terug te geven. Maar hij weigerde. Het werd donker. We zegden een laatste gebed met Zuster Rachele en daarna vertrok ze, met 109 meisjes.

Na hun vertrek werden we in groepen van vijf ingedeeld en toegewezen aan verschillende commandanten. We kregen eten, maar het vlees was maar half gekookt en we gooiden het stiekem weg in het struikgewas. De volgende ochtend, na het ontbijt, gingen we weer op weg. We hadden elk een vracht gekregen die we op het hoofd moesten dragen. Sommigen moesten landmijnen en munitie dragen.

We waren pas vertrokken toen er een gevecht ontstond tussen de rebellen en de regeringstroepen. Ook de helicopter bestookte ons. De rebellen wisten het regeringsleger af te slaan. We liepen de hele dag door, tot laat in de nacht. De volgende ochtend bereikten we de heuvel van Atoo. Hier voltrokken de rebellen een rituele daad. Ze trokken onze bloezen uit. Met een ei, gemengd met water en as, schreven ze woorden op onze rug, sprenkelden water op onze borsten en tekenden een hart, terwijl ze geheime woorden uitspraken. We moesten drie dagen met bloot bovenlijf rondlopen en mochten ons zelf niet wassen. Een andere groep rebellen voegde zich bij ons. Ze staarden naar onze borsten en maakten er grapjes over.

Na drie dagen kregen we richtlijnen van ‘Lakwena’, de geest waarin de rebellen geloofden. Ik kan me maar twee richtlijnen herinneren. Bij het oversteken van een rivier, moesten we water over ons hoofd gieten. En een man mocht geen meisje tot zich nemen zonder toestemming van de leiders. Een van de commandanten had een Abokemeisje verkracht. Hij werd op wrede wijze vermoord.

In die dagen bad de Paus voor de Abokemeisjes en vroeg om onze vrijlating. We hoorden het nieuws op de BBC radio. De rebellen reageerden bitter en boos. ‘Hoe komt het dat alleen over jullie wordt gepraat’, riepen ze uit. ‘We hebben zoveel andere kinderen ontvoerd zonder dat iemand er met een woord over repte!’ Commandant Lagira beval ons dood te slaan. Er werden een heleboel stokken aangebracht. We waren doodsbang. Maar er gebeurde niets.

Die week brachten we een nacht door in een kraal. Eerder hadden de rebellen een jong meisje van een jaar of 13 ontvoerd dat naar de markt liep. Het meisje probeerde zich te verbergen in een van de hutten. De eigenaars hadden haar verstopt onder een berg zakken en matrassen. Maar de rebellen vonden haar en sleurden haar naar buiten. Ze bevalen ons, de Abokemeisjes, haar dood te slaan. We deden zoals ons werd opgedragen. Daarna kregen we elk vijftien stokslagen.

Begin december zetten we koers naar Soedan. Toen we de Atebi rivier bereikten was mijn rechterbeen gezwollen. Ik deed geen oog dicht van de pijn. ’s Ochtends had ik moeite om mijn been op te tillen. Sommigen rebellen wilden mij vermoorden omdat ik niet snel genoeg vooruitkwam. De commandant besliste naast mij te lopen, zodat niemand mij iets zou doen.

Op 14 december 1996 bereikten we een kamp van de Arabieren (het Soedanese regeringsleger), gelegen aan de oever van de Kitrivier. Er werd een bericht gestuurd naar het hoofdkwartier en een camionet kwam de zieken ophalen. We werden naar Aruukamp gebracht.

Onmiddellijk na aankomst werden de Abokemeisjes naar de operatiekamer gebracht. Een man die zich voorstelde als het hoofd van de dienst personeelszaken verwelkomde ons. Hij zei dat hij instructies had gekregen van rebellenleider Joseph Kony om ons te verdelen onder onze echtgenoten. We moesten hen helpen bij hun operaties, zei hij, en al hun noden bevredigen. Daarna werden we aan de officieren van het Oppercommando gegeven.

Ik werd naar het huis gestuurd van het hoofd personeelszaken. Hij had vijf vrouwen. Hij riep mij en vroeg hoe oud ik was, hoe mijn ouders heetten en waar ze woonden. Hij wou vooral weten wanneer ik mijn eerste ‘M.P.’ (menstruaties) had gehad. Ik antwoordde dat ik die nog niet had. ‘Je bent nog wat jong’, mompelde hij. Hijzelf was een man van ongeveer veertig.

In het kamp in Soedan werden jonge meisjes ‘tingting’ genoemd. Ik was een van hen. De andere vrouwen mishandelden mij. Ze vonden dat ik hetzelfde lot als hen moest ondergaan. Alice haatte mij het meest. ’s Ochtends vroeg schopte ze mij uit bed en stuurde me erop uit om hout te sprokkelen. Als ik te laat terugkeerde, ranselde ze mij af. Na de middag moest ik water halen. De rivier was 6 kilometer ver. Alleen ’s avonds kreeg ik wat te eten. De Arabieren brachten voedsel naar het kamp maar er was niet genoeg. Ik kreeg drie bekers posho per maand. De honger was verschrikkelijk.

Het werd nieuwjaar 1997. Ik lag nachtenlang wakker. De gedachten tolden door mijn hoofd. Ik huilde en bad in stilte: ‘God, welke misdaad heb ik begaan dat je mij zo’n verschrikkelijke straf oplegt? Welke toekomst heb ik?’ Maar er kwam geen antwoord. Ik werd steeds magerder en zwakker.

Op 8 april braken er hevige gevechten uit. Het Oegandese regeringsleger, bijgestaan door het SPLA (de opstandelingen van Zuid-Soedan), bestreden de rebellen die werden bijgestaan door de Arabieren. We werden uit Aruu kamp verjaagd en verhuisden naar Jebelein.

Meisjes in hun ‘M.P.’ mochten de keuken niet in. Ze mochten geen eetgerei aanraken of in de buurt van een waterbron komen. En ze mochten de ‘yard’ niet betreden, de heilige plaats waar belangrijke gebeden plaats vonden en waar de geesten rapporteerden over de gebeurtenissen die plaats vonden. In December 1997 was ik in mijn eerste ‘M.P’. Daarna begon de commandant mij lastig te vallen. Ik wist mij lange tijd te verzetten. Op een nacht in april 1998 riep hij me naar zijn slaapplaats. Ik weigerde. Rond middernacht kwam hij onze kamer binnen. Hij hield een revolver vast en spande de trekker. Ik vreesde voor mijn leven. En dus gaf ik toe.

In december 1999 leerde ik zieken en gewonden verzorgen. Plots realiseerde ik mij dat ik zwanger was. De gedachte maakte mij bijna gek. Ik wou weglopen, maar Oeganda was ver weg en ik was erg zwak. Ik probeerde het kind te aborteren maar de poging mislukte. Een maand voor de bevalling kreeg ik malaria. Ik werd in allerijl naar het ziekenhuis van Juba gebracht, waar ik op 3 september een zoon baarde.

In oktober verbraken de Arabieren alle banden met de rebellen. De voedselaanvoer werd afgesneden. Er heerste grote hongersnood. Het grootste deel van 2001 werd ingenomen door landbouwactiviteiten. We verbouwden sorghum, sojabonen, simsim, aardnoten, mais en millet. In februari 2002 waren er geruchten dat het Oegandese regeringsleger, samen met het SPLA en de Arabieren, ons kamp zou aanvallen. Onze voornaamste taak bestond erin het voedsel naar een nieuw kamp over te brengen.

In die periode selecteerden de rebellen vier groepen die elk een Soedanees legerkamp moesten aanvallen. De Arabieren werden verdreven, hun hutten in brand gestoken en hun voedsel en wapens meegenomen. Tegen einde maart hadden de rebellen alle kampen ontruimd. We werden meegenomen naar de hoogste berg van Soedan, Imatong genaamd. In de verte weerklonken bombardementen en beschietingen. Later kwamen we in een vlakker gebied, dat werd bevolkt door landbouwvolkeren. De rebellen vermoordden er zo’n 180 mannen en vrouwen.

Op een avond in juni 2002 staken we de Oegandese grens over. Na twee dagen bereikten we Gulu. Daar werd een aantal vrouwen en kinderen vrijgelaten: diegenen die hun ‘man’ verloren hadden of gezwollen benen hadden. Maar Kony beval dat niemand van de Abokemeisjes mocht worden vrijgelaten. We bleven tot november in de ziekenboeg in de Kilakheuvels. Er was niets meer te eten. We leefden van wilde vruchten en wat we verder vonden in het woud. Veel kinderen kwamen om van de honger.

In november trokken we Murchison park binnen. We sloegen kamp op nabij de Nijl, waar we samen leefden met de wilde dieren. Als je een boom vond die eetbare zaden voortbracht, had je geluk: dat was je voedsel voor enkele dagen. Opnieuw dacht ik aan ontsnappen. Maar we zaten diep in het woud. Ik wist niet welke richting ik uit moest. Bovendien waren we omringd door gevaarlijke beesten. We moesten vuur maken rond ons kamp om ze op afstand te houden. We vierden kerstmis en nieuwjaar 2003 in het park.

De maanden die volgden trokken we van district naar district. De rebellen plunderden en doodden iedereen in de dorpen, opdat die hen niet zouden verraden bij de regering. Op 19 januari 2004 werden we bestookt door twee gevechtshelikopters. Onze groep werd uiteengedreven. Ik bleef achter met twee kleine meisjes. Ik wist niet welke kant op. Uiteindelijk besliste ik in oostelijke richting te gaan. Onderweg bad ik tot God dat hij me zou beschermen en me naar huis zou leiden.

Tot mijn grote ontgoocheling liep ik tegen een andere groep rebellen aan. Ik zei dat we waren aangevallen door het regeringsleger. Ze verwelkomden mij en brachten mij naar hun leider, die via de radio mijn groep op de hoogte bracht. Vijf soldaten kwamen mij ophalen. Bij aankomst merkte ik dat verschillende meisjes ontbraken. Ze waren dood. Zelfs de commandant aan wie ik als vrouw was toegewezen, was omgekomen.

Daarna was ik vrij. Ik werd niet langer bewaakt. ‘Vandaag ga ik naar huis’, zei ik tegen de andere meisjes. ‘Als je wil, kun je mij volgen.’ Na het middageten klonk het fluitsignaal. Het konvooi zette zich in beweging. We liepen voorop. De rebellen riepen dat we moesten wachten maar we liepen gewoon door. Ik was de eerste die wegglipte in het struikgewas. Na enkele meters verstopte ik mij onder een bladerrijke boom. Ik wachtte tot de laatste lijfwacht vertrokken was. Dan begon ik in de tegengestelde richting te lopen. Ik stapte alleen, met mijn kind op de rug, tot de avond viel. Dan liep ik een legerkamp binnen en meldde mij aan bij de inlichtingenofficier. Ik kon het nauwelijks geloven. Een nachtmerrie van zeven jaar was voorbij.