Joe werd ontvoerd op nieuwjaarsdag 2001, toen hij dertien jaar was. De rebellen vielen ’s nachts zijn huis binnen, sloegen hem, bonden hem vast en namen hem mee, samen met zijn vader. Verderop in het struikgewas hielden ze halt. De rebellen bonden zijn vader vast en gaven Joe het bevel hem dood te slaan. De jongen huilde en kon het niet over zijn hart krijgen. Daarop maakten de rebellen zijn vader weer los en zegden dat die dan maar zijn zoon moest doden. Waarop Joe, huilend en doodsbang, zijn vader met een stok doodsloeg.
Joe werd meegenomen op lange tochten. Daarbij moest hij zware vrachten dragen. Kinderen die onderweg niet meer konden lopen of probeerden te ontsnappen, werden gedood. Ze werden doodgeslagen met stokken en hakmessen, doodgestoken met messen of doodgeschoten. De andere kinderen moesten deelnemen aan deze moorden. Ook Joe werd gedwongen drie kinderen (twee meisjes en een jongen) dood te slaan.
In een van de schuilplaatsen van de rebellen in Gulu kreeg hij later een militaire opleiding. Hij leerde marcheren, schieten en aanvallen. Daarna werd hij erop uitgestuurd om dorpen te plunderen, andere kinderen te ontvoeren en huizen in brand te steken, soms met de inwoners erin. Ze werden één keer onder vuur genomen door het regeringsleger maar Joe bleef als bij wonder ongedeerd.
Na vier maanden werd hij meegenomen naar het buurland Soedan. Daar moest hij dorpen aanvallen en voedsel stelen. Het kwam daarbij tot confrontaties met het SPLA, de rebellen van Zuid-Soedan. Er heerste grote hongersnood in Soedan. Joe moest blaren eten en urine drinken om te overleven. Veel kinderen kwamen om van diarree en cholera.
In april 2002 werd hun kamp aangevallen door het Oegandese regeringsleger. Ze vluchtten terug naar Oeganda, waar ze maandenlang rondtrokken en een spoor van vernieling zaaiden. In december, tijdens een aanval van het regeringsleger, slaagde hij erin te ontsnappen. Hij gaf zich over en werd naar het opvangcentrum gebracht. Joe gaat nu terug naar school.